Lattenklieven

Het klieven van bomen tot latten bestaat al van oudsher. Aan het einde van de 19de eeuw groeide het lattenklieven in Sint-Joris-ten-Distel en omliggende gemeenten uit tot een bloeiende nijverheid. Het ambacht bestond erin om boomstammen te splijten en steeds verder te klieven tot dunne plafondlatjes. Op deze pagina ontdek je alles over het lattenklieven.

Lattenkliever Jules Goegebeur aan het werk aan zijn lattenspriet, ca. 1950.

Historiek

Door de komst van houtbedrijf Lemahieu in 1888 werd in Sint-Joris-ten-Distel het lattenklieven op grotere schaal aangepakt. Arbeiders werkten in loondienst binnen het bedrijf of oefenden thuis de stiel uit en leverden wekelijks hun gekliefde latten af. De latten kenden een groot succes in de bouwsector als drager van pleisterwerk. De lattenklieverij of ‘lattenspletterij’ groeide uit tot de belangrijkste nijverheid van het dorp. 

Na de Eerste Wereldoorlog breidde de sector verder uit naar de omliggende gemeenten: Beernem, Knesselare en Maria-Aalter. Tot kort na de Tweede Wereldoorlog gingen de zaken goed, wel met hoogtes en laagtes. Door de opkomst van moderne materialen zoals gipsplaat raakte het lattenklieven in de verdrukking. In de jaren 1960 doofde de nijverheid volledig uit.

Techniek

STAP 1 - GROFKLIEVEN

De boom wordt op maat gezaagd, ontschorst en met een wig en hamer in vier stukken gekliefd.

STAP 2 - FIJNKLIEVEN

Het hout wordt nog eens gekloven met behulp van een klieversmes. Met een klein lattenmes worden daarna de latten gekliefd. Dit gebeurt aan de lattespriet, een houten werkbank.

STAP 3 - OPMAKEN

Honderd lopende meter aan latten worden samen in één bundel verzameld. Het pak wordt hard samengeperst en afgebonden met ijzerdraad.

Verhaal

Terug naar boven